Stichters van de V.S.: Geen Vrijheid Zonder Deugd

De stichters of zogeheten “Founding Fathers” van de V.S. waren overtuigd van één essentiële voorwaarde voor een vrije maatschappij: deugd, ofwel “zelf-bestuur”, een term die ze zelf hanteerden.

Wat betekende het? De stichters baseerden zich op duizenden jaren filosofie en theologie, te beginnen met de Oude Grieken zoals Aristoteles en later christelijke theologen zoals Augustinus van Hippo en Thomas van Aquino, toen ze “deugd” omschreven als gedrag (of specifieker, gewoonten) dat in overeenstemming was met het goede, wat zowel door Aristoteles als door Thomas van Aquino omschreven werd als “morele verstandigheid”. Deugd was dus de bereidwilligheid om de eigen impulsen op te offeren voor het goede, namelijk “morele verstandigheid” ofwel Phronèsis.

De vier kardinale deugden (van het Latijnse Cardo, scharnierpunt) in de Oudheid waren voorzichtigheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid. Het boek Wijsheid (8:7) uit de bijbel somt dezelfde deugden op. De christelijke theologie voegt daar nog drie “theologische deugden” aan toe, namelijk geloof, hoop en liefde. Hieruit volgde dat de bekende “Zeven Doodzonden” tegen deze deugden ingaan: lust, vraatzucht, gemakzucht, hebzucht, woede, jaloezie en trots.

Benjamin Franklin somde in zijn “Autobiografie” gelijkaardige deugden op.

  1. Matigheid: eet niet tot sufheid, drink niet tot de roes.
  2. Stilte: spreek niet behalve hetgeen goed doet aan anderen of uzelf. Vermijd onbeduidende conversaties.
  3. Orde: laat alles zijn plaats hebben. Laat elke bezigheid zijn moment hebben.
  4. Besluitvaardigheid: Beslis om te doen wat gedaan moet worden. Voer zonder uitzondering je beslissing uit.
  5. Zuinigheid: maak geen kosten behalve om goed te doen voor anderen en jezelf, verspil niets.
  6. Vlijt: verlies geen tijd—wees altijd met iets nuttigs bezig—vermijd onnodige acties.
  7. Oprechtheid: gebruik geen misleiding. Denk onschuldig en rechtvaardig, en, als je spreekt, spreek dan dienovereenkomstig.
  8. Rechtvaardigheid: Doe niemand onrecht aan, niet door te benadelen of door het ontzeggen van de voordelen uit je eigen plichten.
  9. Matigheid: vermijd extremen. Verduur letsels in zoverre je het gepast acht.
  10. Netheid: verdraag geen onreinheid in lichaam, kledij of woning.
  11. Rust: wees niet verstoord door kleinigheden, of door alledaagse of onvermijdbare tegenslagen.
  12. Kuisheid.
  13. Nederigheid: imiteer Jezus en Socrates.

Merk op dat iedere deugd zelfbeheersing en zelfbeperking vereist. Er bestaat een lange filosofische en theologische traditie die deugdzaamheid gelijkstelt aan geluk—voor Jefferson had het “nastreven van geluk” bijgevolg eerder de betekenis van “vrijheid het goede na te streven” dan “vrijheid om te doen wat ik wil”. Het eerste maakt een vrije maatschappij mogelijk. Het tweede is vernietigend, omdat het achterlaten van deugden altijd een schending van iemands integriteit inhoudt—die van onszelf of (vaker) die van anderen. Wanneer individuen en families dergelijke inbreuken niet vermijden of goedmaken, moet de orde gehandhaafd worden door een veel grover middel: de overheid. Wanneer men zichzelf niet onder controle houdt, zal iets of iemand anders dat onvermijdelijk doen – de staat.

De Stichters waren zich hier terdege van bewust.

In zijn eerste inauguratierede legde George Washington (°1732 – †1799) hier sterk de nadruk op, met een uitgebreide verwijzing naar de bijbel.

“Er is geen waarheid die meer vaststaand is, dan dat er in de economie en de natuurlijke gang van zaken een onlosmakelijk verband is tussen deugden en gelukkig zijn, tussen plicht en profijt, tussen de daadwerkelijke implementaties van een eerlijk en grootmoedig beleid, en de concrete beloning van burgerlijke welvaart en tevredenheid: gezien we er niet van overtuigd moeten zijn dat de gunstige glimlach van de Hemelen te verwachten is voor een natie die de eeuwige regels van orde en rechtvaardigheid negeert, door de hemel zelf voorgeschreven [zie Spreuken 14:34]: en gezien het behoud van het heilige vuur van de vrijheid, en het lot van het bestuursmodel van de Republiek, correct worden beschouwd als grondig, zo niet allesomvattend fundament van het experiment toevertrouwd aan het Amerikaanse volk.”

President John Adams (°1735 – †1826) sprak eveneens over deze connectie:

“We hebben geen regering gewapend met een macht die kan concurreren met passies die niet beteugeld zijn door moraliteit en religie. Hebzucht, ambitie, wraakzucht of losbandigheid zouden door de sterkste touwen van onze Grondwet scheuren zoals een walvis door een net. Onze Grondwet is enkel gemaakt voor een moreel en gelovig volk, en is volstrekt ontoereikend voor het regeren van ieder ander [volk].”

Met andere woorden, een grondwet voor een vrij volk houdt noodzakelijkerwijs in dat het volk in kwestie een zekere mate van zelfbeheersing uitoefent die niet in andere maatschappijen te vinden is.

Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog maakte John’s neef, Samuel Adams, hetzelfde punt met zijn bekende uitspraak over de vrijheid van het volk: “Indien Deugd en Kennis verspreid zijn onder het volk, zullen ze nooit slaven worden. Dit is hun grote Veiligheid.”

Goed onderwijs was voor de Stichters essentieel voor een vrije maatschappij, en werd ook als een deugd beschouwd. Onwetendheid en vrijheid zijn op lange termijn niet verenigbaar, het lijkt wel weg te eroderen uit onze door sociale media overspoelde maatschappij, waar meer en meer blinde ideologie, demagogie en leugens de plaats van feiten, logische argumenten, en bewijsmateriaal innemen.

In zijn afscheidsrede tot de nieuwe natie, nam George Washington zijn laatste grote gelegenheid te baat om de link tussen deugd en vrijheid voor iedereen helder te maken:

“Het is een substantiële waarheid dat deugd of moraliteit een noodzakelijke bron is van populair bestuur. De regel strekt zich in meer of mindere mate uit naar iedere soort van vrij bestuur. Wie, die het genegen is, kan onverschillig blijven bij pogingen om de funderingen te eroderen?”

Washington ging zelfs zover om te stellen dat wie de moraliteit ondermijnt, onmogelijk een patriot kon zijn.

“Van alle karaktertrekken en gewoontes die leiden tot politieke voorspoed, zijn geloof en moraliteit onmisbare pijlers. Men zou tevergeefs beweren patriottisch te zijn, indien men ijvert deze grootse pijlers van menselijke tevredenheid te ondermijnen, deze betrouwbaarste rekwisieten van de plichten van mensen en burgers. De bescheiden politicus zou ze moeten koesteren zoals een vrome. Eén boek is niet genoeg om al hun connecties met persoonlijk en publiek geluk te traceren. (…) en laat ons met voorzichtigheid de notie bekijken dat moraliteit behouden kan worden zonder religie. Wat er ook toegeschreven mag worden aan de invloed van een verfijnde opvoeding bij geesten van een bepaalde structuur, de ratio en de logica verbieden ons allebei te verwachten dat de moraliteit op nationaal niveau de overhand zal houden met uitsluiting van religieuze beginsels.”

Het zijn niet de enige voorbeelden die aangehaald kunnen worden, maar het zal duidelijk zijn: voor de Stichters waren deugd en vrijheid twee zijden van dezelfde munt. Het ene zonder het andere verwachten was als het negeren van natuurwetten.

Als Amerika of het Westen een vrije maatschappij wil behouden, kunnen we de noodzaak om over deugden te praten, niet langer negeren, laat staan denigreren, zowel in de persoonlijke als de publieke sfeer.

Door Joshua Charles

Joshua Charles is een auteur, historicus, onderzoeker en internationale spreker. Hij is een gepassioneerd verdediger van de Amerikaanse beginselen, Judeo-Christelijke beschaving en het Katholiek geloof.
Hij is te volgen op
Twitter @JoshuaTCharles en de website JoshuaTCharles.com

 
SOORTGELIJKE ARTIKELEN